Home

Les: Wisselspanning en transfo

Theorie

Wisselspanning en transfo

Proef — windingen

Twee sliders: in en uit. Meer windingen rond de kern = meer volt aan die kant.

PRIMAIR INSECUNDAIR UIT100windingen10windingen230 V ~23 V ~101

24 V-lamp

U₂ = 230 × (10/100) = 23 V

10010 windingen = 101 — omlaag

23 V. De verhouding 10∶1 past bij de 24 V-lamp.

Eerst het verschil: DC blijft aan, AC knippert. Zet de Hertz omhoog tot het oog de flikkering niet meer ziet. Daarna transfo: magnetisch gekoppeld, niet elektrisch.

  1. 1

    DC: electronen één kant op. AC: heen en weer, in de maat van de sinus.

  2. 2

    Bij 0 van de sinus keren ze. De lamp is even donker. Vanaf ±30 Hz smeert je oog dat uit.

  3. 3

    Een transfo koppelt twee lussen magnetisch, niet met koper. Primair 230 V, secundair lager. U₂ = U₁ × (N₂/N₁): meer windingen primair dan secundair, spanning omlaag.

  4. 4

    Een koperen brug tussen primair en secundair is geen transfo meer: de lamp ziet 230 V.

Onthoud

  • DCconstante polariteit
  • ACf = 50 Hz (net BE/NL)
  • WikkelverhoudingU₁/U₂ = N₁/N₂ = I₂/I₁

Daarna: puzzels. Op het einde een proefbank, dan vijf examenvragen.