Theorie
Serie en parallel
Proef — twee sliders
Zelfde twee weerstanden, twee trucs. Serie deelt de volts. Parallel deelt de ampères.
Serie — één pad, 0,25 A overal
R = 24+24 = 48 Ω · I = 12 / 48 = 0,25 A
Parallel — twee paden, allebei 12 V
R∥ = 12 Ω · I tot = 1 A
Gelijk in serie: elk de helft van de volts. Gelijk parallel: elk de helft van de stroom, volle spanning.
In serie tellen spanningen op — batterijen én panelen, plus aan min. Parallel blijft de spanning, stromen tellen op.
- 1
Serie: één pad. Dezelfde stroom door alles. De spanningen tellen op (bronnen) of delen zich (lampen).
- 2
Batterijen in serie = panelen in serie. Plus aan min: 12+12=24 V. Op het dak: 40+40+40=120 V. Zelfde truc.
- 3
Parallel: twee paden. Spanning blijft gelijk, stromen tellen op. Twee strings naast elkaar: dezelfde volt, dubbele ampère.
- 4
Twee gelijke lampen in serie: elk krijgt de helft. Ze branden half zo fel.
- 5
Meer weerstand in serie = minder stroom. Dat voel je aan de lamp.
Onthoud
- SerieR = R₁ + R₂
- Parallel1/R = 1/R₁ + 1/R₂
- Twee gelijkeR∥ = R / 2
Daarna: puzzels. Op het einde een proefbank, dan vijf examenvragen.